Het Jaarslied

Het jaarslied is een typisch gelegenheidslied. Normaliter wordt het gezongen bij de inauguratie van nieuwe leden op de dies natalis en in principe ook bij de voorlopige inauguratie na de februari kentijd. Het wordt vooral gezongen wanneer er veel reünisten aanwezig zijn, dat maakt het immers extra leuk.
De eerstejaars zetten het lied in, natuurlijk daarbij geholpen door de ouderejaars. Tijdens het zingen moet men op een stoel, tafel, krat, jongerejaars klimmen, maar men dient enkel dan te zingen wanneer zijn eigen jaar aan de beurt is. Overbruggingen, indien er tussen aanwezige jaren jaren afwezig zijn, worden door iedereen gezongen, zij het korter: „... en de twaalfdejaar, en de dertiendejaars, en de veertiendejaars ...”. Als alle aanwezigen hun jaar hebben bezongen stapt iedereen op stoel, tafel of krat en men zingt gebroederlijk de laatste strofe.

En de eerstejaars gaan nooit verloren
falderalderiere, falderalderare
En de eerstejaars gaan nooit verloren
falderalderal(deralderalderal)

En de tweedejaars gaan nooit verloren
falderalderiere, falderalderare
En de tweedejaars gaan nooit verloren
falderalderal(deralderalderal)

En de derdejaars gaan nooit verloren
falderalderiere, falderalderare
En de derdejaars gaan nooit verloren
falderalderal(deralderalderal)

En de vierdejaars gaan nooit verloren
falderalderiere, falderalderare
En de vierdejaars gaan nooit verloren
falderalderal(deralderalderal)

En de vijfdejaars...
En de zesdejaars...
...

En de hele bups gaat nooit verloren
falderalderiere, falderalderare
En de hele bups gaat nooit verloren
falderalderal(deralderalderal)